Romans en literatuur

Verhaalanalyse ‘De bloeiende doodkist’ van Roger van de Velde

Ter afsluiting van de module Letterkunde van de studie Cultuurwetenschappen mogen studenten een verhaalanalyse maken. Deze keer kregen ze een verhaal van Roger van De Velde voorgeschoteld: De bloeiende doodkist. Voor de geïnteresseerden onder ons geef ik hieronder mijn analyse weer. Ik kreeg vooral concrete feedback op de motieven. De tekstuele foutjes heb ik voor het gemak maar even aangepast. Onderaan de analyse heb ik nog even het commentaar van de docent opgenomen.

Roger van de Velde
Archief Letterenhuis

De bloeiende doodkist

In 1966 verscheen het debuut Galgenaas van de Vlaamse auteur Roger van de Velde.[1]  De verhalenbundel bevat naast de proloog zestien verhalen waarvan ‘De bloeiende doodkist er één is. Het verhaal gaat over Morren, een magazijnier van het Huis van Bewaring. Hij stuit jaarlijks met weerzin op een doodkist die in het magazijn ‘bleef rondslingeren zonder enige voor de hand liggende doelmatigheid’.[2] Dit verandert wanneer een gevangene overlijdt.

Het verhaal wordt in de derde persoon verteld, er is sprake van een extradiëgetische, heterodiëgetische verteller. De verteller is niet gedramatiseerd, hij vertelt over de gebeurtenissen die hij zelf niet heeft meegemaakt. Hij gebruikt de protagonist, de magazijnier, om het verhaal vorm te geven. Bij het vertellen van het verhaal beperkt hij zich daarbij niet alleen tot de visie van de protagonist, maar is zelf grotendeels zichtbaar als verteller. De invloed van hem is prominent in het verhaal aanwezig en het wordt zichtbaar dat hij boven het verhaal staat. Door bijvoorbeeld het vertellerscommentaar ‘Niemand heeft het ooit geweten’ en de opmerking ‘wegens een baldadig vergrijp’ blijkt dat de verteller meer weet dan de lezer en ook zijn mening geeft.[3] Er kan gesproken worden van een afgezwakt auctoriale verteller.  

Deze manier van vertellen zorgt voor verweving van de gedachten van de protagonist en die van de verteller. Het onderscheid tussen hen is schemerig. De verteller lijkt vooral de gedachten van de protagonist weer te geven. Het verhaal wordt verteld in indirecte rede en afgewisseld met vertellen in indirecte innerlijke monologen (erlebte Rede) waardoor het niet direct helder is van wie de gedachten zijn, ze worden niet duidelijk begrensd. Een voorbeeld is een overpeinzing waarin gefilosofeerd wordt over de mysterieuze achtergrond van de overledene gevangene.[4] De uitdrukking ‘wie leven schenkt, moet leven’ en ‘Och nee, het was natuurlijk alleen maar een kwestie van geometrische verhoudingen’ zijn ook voorbeelden van vertellen in erlebte Rede.[5] Het gevolg van vertellen in erlebte Rede is dat de lezer aansluit bij de gedachtegang van zowel de protagonist als de verteller. Het zorgt voor begrip en inzicht.

Een mooi voorbeeld van hoe de verteller de lezer meeneemt in zijn visie is de opmerking in erlebte Rede: ‘Een doodkist is een utilitair voorwerp van secundair belang, zoals een sardineblikje of een hoededoos’ dat in de eerste alinea staat.[6] De manier waarop de verteller over een doodkist denkt, laat hij vaker in de tekst terugkomen door ‘dit eenvoudig timmerwerk’ en een ‘folkloristisch overblijfsel uit een enigszins verwilderde tijd’ te noemen.[7] Opvallend is dat de protagonist aan het einde verhaal via een directe monoloog, een soliloquium, voor het eerst en laatst een stem krijgt met de zin ‘Beatrix, jij lieve, trouwe minnares’.[8]

De interferenties van focalisaties dragen bij aan het schemerige beeld tussen verteller en protagonist. De verteller verwoordt wat de protagonist denkt, daar ligt de focalisatie. Maar in andere gedeelten worden de gedachten van de protagonist weergegeven in erlebte Rede. Het onderscheid tussen de verteller die vertelt en het personage dat focaliseert is op dat moment minder duidelijk te maken. De focalisatie ligt hoofdzakelijk bij de protagonist maar wordt regelmatig afgewisseld door de visie van de verteller.

De personages in het verhaal zijn door een indirecte karakterisering beschreven. Vooral de protagonist wordt door zijn gedachten en handelingen op impliciete wijze gepresenteerd. Door de wijze waarop hij nauwkeurig de juiste spelling hanteert in de inventarisatielijsten blijkt dat hij punctueel is.[9] Ook is de protagonist in staat tot zelfreflectie; hij worstelt met zijn gevoel over de doodkist en de dood van de gevangene. Hij uit zich echter niet.

De overleden gevangene wordt door een ontrollende karakterisering gepresenteerd. Daarbij ligt de focus op het gedrag van het personage van vóór zijn overlijden. Het personage wordt slechts summier op expliciete wijze beschreven: ‘Foo-Yat-Chong was nochtans niet lang van stuk maar hij was geblokt en breedgeschouderd’.[10] De verteller focust op het onbekende verleden van de gevangene.

Het verhaal wordt achteraf verteld (vision per derrière) en het tijdsverloop heeft een chronologisch-successieve presentatiewijze. De fabel en sujet lopen parallel, maar worden onder andere onderbroken door pauzes. In het eerste deel van het verhaal grijpt de verteller de kans om terug te blikken op het verleden. In deze uiteenzetting wordt het de lezer duidelijk hoe de houding van de magazijnier ten opzichte van de doodkist is ontstaan. Hierbij is sprake van Raffung, de vertelde tijd bestrijkt jaren hoewel de verteltijd een paar minuten in beslag neemt. Het betreft een periode van voor de oorlog tot het moment dat er een gevangene overlijdt en de doodkist een mogelijk doel krijgt. De magazijnier had namelijk al ‘een tijdlang met het onhebbelijke ding gesold’ en had ieder jaar de gegevens nauwkeurig op de inventarislijsten beschreven tot ‘hij in een vette krantenkop had gelezen: “Amerikaans  Ministerie van Defensie noemt nieuw Jachttoestel vliegende Doodkist”.[11] Verder op in de tekst heeft de verteller het over ‘Vroeger, dat wil zeggen vóor de oorlog’.[12] Er wordt een diffuus tijdsverloop gehanteerd tot het moment dat de gevangene overlijdt. Vanaf dat moment hanteert de auteur een gemarkeerd tijdsverloop. ‘Dit gebeurde op een morgen, in het begin van januari’.[13] Door die duidelijke markering van tijd, die vanaf dat moment met verschillende tijdsaanduidingen wordt aangegeven, blijkt dat de vertelde tijd vanaf begin januari tot het einde van het verhaal een paar maanden omvat. Er is sprake van Dehnung wanneer de protagonist Beatrix en de jonge poesjes voor het eerst ziet. De auteur wil hiermee benadrukken dat er iets gaat gebeuren.

Wanneer er gekeken wordt naar ruimtes in het verhaal kan geconstateerd worden dat de gevangenis het decor is van het verhaal. Binnen deze muren voltrekt zich het verhaal. De doodkist neemt ook ruimte in: ‘in de hoek van het magazijn, tussen een afgedankte wasketel en een gespleten schaafbank’, waar deze is opgeslagen.[14] De doodkist is als tweede ruimte in het verhaal te benoemen, alhoewel de ruimte in de doodkist pas op het laatst benut wordt. Daarnaast maakt de protagonist eenmalig een uitstapje naar de kerk. Het is op die plek waar hij de aanwezigheid van de dood voelt en ruikt.[15] De ruimtes in het verhaal worden impliciet beschreven.

Er zijn verschillende motieven die Van de Velde heeft verwerkt. De doodkist kan als vrij motief aangewezen worden. Het verhaal begint en eindigt bij de doodkist. Daarnaast zijn er nog het magazijn en inventaris. Geur kan daarentegen als leidmotief worden benoemd en benadrukt in het verhaal de aanwezigheid van de dood en het leven. De protagonist ruikt op twee momenten in het verhaal ‘de geur van wierrook en waskaarsen’.[16] Ook wordt er geschreven over een lijkgeur en de geur van het leven.[17]

De protagonist is punctueel en blijkt doelmatigheid na te streven. Doelmatigheid is dan ook aan te merken als verhaalmotief. De doodkist is in het begin van het verhaal doelloos. De magazijnier ‘had iets tegen de lineaire regelmaat en de volslagen nutteloosheid’ van het object.[18] Het valt op dat aan het einde van het verhaal blijkt dat de protagonist een kinderloze vrouw heeft en dat hij geen tederheid voor haar heeft op kunnen brengen die hij wel voor de poesjes op kan brengen.[19] Zou zij haar doel, zijn kinderwens, niet hebben vervuld?

Ten derde kan geslotenheid als tweede verhaalmotief gezien worden. Het verhaal speelt zich af binnen de gevangenismuren, er is sprake van een gesloten ruimte. De overleden gevangene was een gesloten persoon, niemand kende hem goed. Dit geldt ook voor de protagonist, het is een gesloten persoonlijkheid. Hij voelt zich niet emotioneel betrokken, zoals blijkt uit ‘want hij had natuurlijk de dood van die Chinees niet gewild’.[20] Ook had hij in jaren niet in zoveel tederheid tegen zijn kinderloze vrouw gesproken, maar stelt zich wel open en uit zich wanneer hij de poesjes ziet.[21] Tot slot wordt er met het gebruik van een doodkist een leven afgesloten, hoewel juist in dit verhaal het per ongeluk niet sluiten van de doodkist heeft geleid tot nieuw leven.  

De opmerking ‘De doodkist was niet langer een doodkist’ kan gezien worden als mise abyme.[22] Samen met de titel komen we uit bij het grondmotief van het verhaal. Van de Velde benadrukt dat een nare gebeurtenis ook ruimte kan bieden voor iets moois. De dood en het leven zijn twee elementen die naast elkaar aanwezig zijn in het leven. Het zijn uitersten maar ze maken beide onderdeel uit van het leven. In dit verhaal geeft de dood ruimte voor leven. De titel geeft een contrast weer: enerzijds is de doodkist het symbool voor de dood maar in dit geval ook voor nieuw leven.

Roger van de Velde

Roger van de Velde (Boom, 1925 – Antwerpen, 1970) heeft de verhalenbundel Galgenaas (1966) binnen de gevangenismuren geschreven en de handgeschreven blaadjes werden door zijn vrouw naar buiten gesmokkeld.[23] Hij weet als geen ander hoe het is om opgesloten te zijn. Hij werkte vóór zijn verslaving als journalist bij De Nieuwe Gazet en publiceerde proza in jongerentijdschriften als Arsenaal en Nieuw Gewas.[24] Hij werd geïnspireerd door Willem Elsschot, die dan ook die als eerste zijn literaire talent opmerkte.[25] Elsschot is een auteur waarbij de combinatie autobiografische elementen en ironie niet onbekend is.[26]

Na een aantal maagoperaties is Van de Velde verslaafd geraakt aan de pijnstiller Palfium, een verdovingsmiddel dat later als illegaal werd bestempeld.[27] Door zijn verslaving belandde hij in psychiatrische instellingen en in de gevangenis. Juist in deze omgeving van geslotenheid begon hij met schrijven, er ontstond wellicht ruimte voor iets nieuws. Zijn debuut ‘Galgenaas’ bevat dan ook gevangenisverhalen die op de realiteit zijn gebaseerd: ‘ik verzin niets, ik kopieer.’[28] De verhalen bevatten daarnaast ironische gebeurtenissen. In bijvoorbeeld ‘De bloeiende doodkist’ waarin de doodkist uiteindelijk leven herbergt in plaats van een overledene. Onder andere hierdoor wordt Van de Velde vergeleken met Elsschot.[29]

Zijn opmerkingen over rechtvaardigheid in zijn autobiografische pamflet ‘Recht op antwoord’ zijn treffend pijnlijk.[30] Zijn visie op een buitenproportionele straf sijpelt door in de tekst van ‘De bloeiende doodkist’.[31]  

Het lijkt wel of het leven Van de Velde is overkomen. Van een goed vooruitzicht naar een uitzichtloze verslaving zonder adequate behandeling. Ik vind het mooi hoe hij deze situatie heeft gebruikt, uiteindelijk een klein maar daadkrachtig oeuvre heeft geschreven en zijn onrechtvaardige behandeling op landelijk niveau ter discussie heeft gesteld.[32]  Zijn persoonlijke tragiek geeft zijn verhalen en de boeken een diepere lading, meer betekenis.

Commentaar

Prettig leesbare analyse met veel zinnige observaties. U had met name nog wat meer in mogen gaan op de functies van de verhaalelementen, op de ironie en op de literatuurhistorische context.


[1] ‘1966 Galgenaas (verhalen)’, Roger van de Velde, https://www.rogervandevelde.be/bibliografie/1966-galgenaas-verhalen, laatst geraadpleegd op 3 februari 2021.

[2] Roger van de Velde, Galgenaas (Bruna boeken; Utrecht 1966).

[3] Van de Velde, Galgenaas, 30 en 32.

[4] Ibidem, 31.

[5] Ibidem, 35 en 37

[6] Ibidem, 30.

[7] Ibidem, 31 en 32.

[8] Ibidem, 37.

[9] Ibidem, 30, 31.

[10] Ibidem, 35.

[11] Ibidem.

[12] Ibidem.

[13] Ibidem, 32.

[14] Ibidem, 31.

[15] Ibidem, 36.

[16] Ibidem, 31 en 36

[17] Ibidem, 34 en 37.

[18] Ibidem, 30. Cursivering door mij.

[19] Ibidem, 37.

[20] Ibidem, 34. Cursivering door mij.

[21] Ibidem, 36.

[22] Ibidem.

[23] Hugo Bousset, ‘Roger van de Velde postuum’, Ons Erfdeel 17 (1974) 424-426, aldaar 424.

[24] G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985.

[25] Eddy van Vliet, ‘Recht op antwoord. Over leven en werk van Roger van de Velde’, Bzzletin 10 (1981-1982) 55-70, aldaar 56.

[26] Leerboek Inleiding Letterkunde, Open Universiteit Faculteit Cultuurwetenschappen (Heerlen, 2016) 5-320, aldaar 237.

[27] Eddy van Vliet, ‘Recht op antwoord. Over leven en werk van Roger van de Velde’, Bzzletin 10 (1981-1982) 55-70, aldaar 58.

[28] Roger van de Velde, Recht op antwoord (Sigma boeken; Gent 1969), 57.

[29] Dirk de Geest, ‘Veel hoger dan de leeuwerik… Roger van de Velde (1925-1970)’, Ons Erfdeel 24(1981) 262-264, aldaar 263.

[30] Georges Wildemeersch, ‘Roger van de Velde: raadsel en geval’, Ons Erfdeel 14 (1970-1971) 105-07, aldaar 105.

[31] Als zodanig geïnterpreteerd: ‘wegens een nogal baldadig vergrijp’, Roger van de Velde, Galgenaas (Bruna boeken; Utrecht 1966).

[32] ‘Over Roger van de Velde’, Roger van de Velde, https://rogervandevelde.be/over-roger-van-de-velde, laatst geraadpleegd op 3 februari 2021.

2 thoughts on “Verhaalanalyse ‘De bloeiende doodkist’ van Roger van de Velde

  1. Poeh, mijn petje af. Ik zou het je niet meer na kunnen doen. Aan de termen die je gebruikt zie ik dat er in de afgelopen 20 jaar wel het een en ander is veranderd. Daarbij: De literatuurhistorische context lijkt me extra lastig bij een Vlaamse schrijver voor ons Nederlanders, al zal het misschien wel een beetje overlappen met die van de Nederlandse literatuur.

    1. Sorry Jannie voor deze verschrikkelijk late reactie. Is er echt zo veel veranderd de afgelopen 20 jaar? Ik denk dat je het zo weer op kan pakken, we mochten er een handige reader bij gebruiken. Af en toe was het nog flink puzzelen, maar vond de motieven ook lastiger onder woorden te brengen. Wat wel is veranderd de afgelopen 20 jaar is dat tegenwoordig literatuurhistorische context ook veel online op te zoeken is. Er wordt zoveel geschreven! En werd natuurlijk ;-)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *